Bij deze opgave oefen je om de juiste uitgang van een voornaamwoord te bepalen in de vierde naamval (ook wel de accusatief genoemd). In deze oefening komen onder andere persoonlijke voornaamwoorden, wederkerende voornaamwoorden, betrekkelijke voornaamwoorden en bezittelijke voornaamwoorden aan de orde. Weet jij wat de gebruikelijke uitgangen bij voornaamwoorden in de vierde naamval zijn?