Dit keer gaat het om de correcte uitgang van het voornaamwoord in de eerste naamval (ook wel de nominatief genoemd). Wederom komen er in deze oefening persoonlijke voornaamwoorden, wederkerende voornaamwoorden, betrekkelijke voornaamwoorden en bezittelijke voornaamwoorden voor. Wat is de juiste uitgang bij voornaamwoorden in de eerste naamval?