Teksten Oefeningen Woordenschat Vervoeging

Onvoltooid verleden tijd

Het Präterium wordt gebruikt om over het verleden te schrijven. Zo is “het huis werd gebouwd” in het Duits “Das Haus wurde gebaut”.

Bij zwakke regelmatige werkwoorden maak je de onvoltooid verleden tijd door aan de stam de uitgangen -te, -test, -te, -ten, -tet, -ten, -ten toe te voegen. “Ik woonde” wordt dan “ich wohnte”. Eindigt de stam op een ‘d’ of ‘t’, dan kun je een extra ‘e’ voor de uitgang krijgen, dit ten behoeve van de uitspraak. Voorbeeld: “hij werkte” is “er arbeitete”. Bij sterke regelmatige werkwoorden krijg je in de verleden tijd te maken met een klinkerwisseling: “ich spreche” wordt in de verleden tijd “ich sprach”. De uitgangen voor sterke werkwoorden in het Präterium zijn -, -st, -, -en, -t, -en, -en.

Er zijn ook onregelmatige werkwoorden (bijvoorbeeld “werden” (worden), zie bovengenoemd voorbeeld). De Präterium-vormen van deze werkwoorden zul je uit je hoofd moeten leren. Ook hier geldt: oefening baart kunst!

0%
Voortgang 0 van 20 oefeningen gestart
1
Onvoltooid verleden tijd 20 vragen
2
OVT voor beginners 20 vragen Premium
3
OVT voor beginners 2 20 vragen Premium
4
OVT voor beginners 3 20 vragen Premium
5
Regelmatige werkwoorden 20 vragen Premium
6
Regelmatige werkwoorden 2 20 vragen Premium
7
Onregelmatige werkwoorden 20 vragen Premium
8
Onregelmatige werkwoorden 2 20 vragen Premium
9
Veelgebruikte werkwoorden 20 vragen Premium
10
Veelgebruikte werkwoorden 2 20 vragen Premium
11
Werkwoorden van beweging 20 vragen Premium
12
Werkwoorden van beweging 2 20 vragen Premium
13
Scheidbare werkwoorden 20 vragen Premium
14
Scheidbare werkwoorden 2 20 vragen Premium
15
Mijn dag 20 vragen Premium
16
Zijn dag 20 vragen Premium
17
Haar dag 20 vragen Premium
18
Moeilijke werkwoorden 20 vragen Premium
19
Moeilijke werkwoorden 2 20 vragen Premium
20
Moeilijke werkwoorden 3 20 vragen Premium

Oefening 1: Onvoltooid verleden tijd

PDF downloaden
Speciale tekens: Tip: Gebruik Tab om te navigeren
1
Gestern ich spät nach Hause und sehr müde.(kommen / sein)
2
Zum Frühstück ich Brot und Kaffee.(essen / trinken)
3
Ihr nicht, also wir etwas anderes.(wollen / machen)
4
Wir den Weg nicht, also wir stehen.(kennen / bleiben)
5
ihr schon im Kino oder ihr keine Zeit?(sein / haben)
6
Wir zusammen und ich dich nach Hause.(gehen / bringen)
7
Meine Lieblingslehrer „Schmidt“ und „Meier“.(heißen)
8
Ich nichts mehr essen. Ich dass es genug war.(möchten / wissen)
9
du damals eine Freundin? Ich nichts von dir.(haben / wissen)
10
Vorgestern ich mir die Haare schneiden und gestern ich in die Schule.(lassen / gehen)
11
Das Restaurant, in dem wir , „Goldene Eiche“.(essen / heißen)
12
Gestern er 30 und deshalb nicht zur Arbeit.(werden / kommen)
13
Ich nicht schwimmen und es erst lernen.(können / müssen)
14
Ich dich gestern nicht. du denn nicht kommen?(sehen / wollen)
15
Nach dem Unterricht du „Tschüss“ und nach Hause.(sagen / gehen)
16
Ihr mir den Schlüssel und ich ihn.(geben / nehmen)
17
Ich den Abend schön, so er auch sein.(finden / sollen)
18
Er ein Buch und dann eine E-Mail.(lesen / schreiben)
19
Du ein Lied, es aber nicht.(hören / kennen)
20
Vorgestern ich mit dem Auto zur Arbeit, gestern ich zu Fuß.(fahren / gehen)