Teksten Oefeningen Woordenschat Vervoeging

Duitse Rangtelwoorden

Een rangtelwoord is een telwoord dat een rangvolgorde in een rij weergeeft. Bijvoorbeeld: eerste, tweede, derde, enzovoort. In deze oefening staat per vraag het cijfer gegeven maar hier zal een rangtelwoord van gemaakt moeten worden. Het is belangrijk goed te letten op de verschillende uitgangen die een rangtelwoord kan krijgen bij verschillende vormen (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) of per situatie.

0%
Voortgang 0 van 21 oefeningen gestart
1
Rangtelwoorden 18 vragen
2
Rangtelwoorden 2 18 vragen Premium
3
Rangtelwoorden 3 18 vragen Premium
4
Rangtelwoorden 4 18 vragen Premium
5
Rangtelwoorden 5 18 vragen Premium
6
Rangtelwoorden 6 18 vragen Premium
7
Rangtelwoorden 7 18 vragen Premium
8
Rangtelwoorden 8 20 vragen Premium
9
Rangtelwoorden tot 10 19 vragen Premium
10
Rangtelwoorden tot 20 20 vragen Premium
11
In de nominatief 22 vragen Premium
12
In de nominatief 2 20 vragen Premium
13
In de nominatief 3 18 vragen Premium
14
Met bepaalde lidwoorden 18 vragen Premium
15
Met onbepaalde lidwoorden 16 vragen Premium
16
Met onbepaalde lidwoorden 2 16 vragen Premium
17
Met onbepaalde lidwoorden 3 18 vragen Premium
18
Met onbepaalde lidwoorden 4 18 vragen Premium
19
Rangtelwoorden in datums 20 vragen Premium
20
Rangtelwoorden in datums 2 18 vragen Premium
21
Rangtelwoorden in datums 3 20 vragen Premium

Oefening 1: Rangtelwoorden

PDF downloaden
Speciale tekens: Tip: Gebruik Tab om te navigeren
1
Ich fliege morgen zum (3.) Mal nach Frankreich.
2
Meine Wohnung ist im (2.) Stock.
3
2014 wird Deutschland zum (4.) Mal Fußballweltmeister.
4
Meistens schaue ich das (1.) oder das (2.) Programm.
5
Der (2.) Sieger ist der (1.) Verlierer.
6
Mein Bruder ist das (2.) Mal verheiratet und erwartet das (3.) Kind.
7
Morgen kaufen wir unser (1.) Haus.
8
Ich gehe das (5.) Jahr zur Schule.
9
In der (3.) Reihe sitzt der General, in der (5.) seine Frau.
10
Das (2.) ist schöner als unser (1.) Auto.
11
Ihr (1.) Freund hieß Klaus, der (2.) hieß Gustav.
12
Montag ist der (1.) Tag der Woche, der (2.) ist der Dienstag.
13
Mein (1.) Wort war "Papa", mein (2.) "Mama".
14
Das (1.) Wort meines Bruders war „Mama“ und sein (2.) „Papa“.
15
Unser (1.) Auto war ein VW, das (2.) ein Audi.
16
In der (3.) Stunde haben wir Mathematik, in der (4.) Deutsch.
17
Ich bin heute Ski gefahren. Es war mein (1.) Mal / Es war das (1.) Mal.
18
Dies ist das (1.) Beispiel und dieses das (2.).