Teksten Oefeningen Woordenschat Vervoeging
Home / Grammatica oefeningen / Vervoeging van werkwoorden

Vervoeging van werkwoorden

Regelmatige, onregelmatige, modale en scheidbare werkwoorden.

Wederkerende werkwoorden

Wederkerende werkwoorden worden gecombineerd met een wederkerend voornaamwoord dat naar het onderwerp verwijst.

Gratis Niet gestart

Scheidbare werkwoorden

Bij scheidbare werkwoorden splitst het voorvoegsel zich af en komt het achteraan in de zin te staan.

Gratis Niet gestart

Regelmatige werkwoorden

Regelmatige werkwoorden volgen een vast schema waarbij de uitgang achter de stam verandert.

Gratis Niet gestart

Onregelmatige werkwoorden

Onregelmatige werkwoorden veranderen vaak van klinker in de stam en volgen geen standaardpatroon.

Gratis Niet gestart

Modale werkwoorden

Modale werkwoorden geven een extra betekenis aan de zin, zoals een verplichting, mogelijkheid of wens.

Gratis Niet gestart

Werkwoord "sein"

Het onregelmatige werkwoord 'sein' is onmisbaar voor het beschrijven van toestanden en het vormen van de verleden tijd.

Gratis Niet gestart

Werkwoord "haben"

Het werkwoord 'haben' wordt gebruikt om bezit aan te duiden en is het meest gebruikte hulpwerkwoord in het Duits.

Gratis Niet gestart

Werkwoorden "sein" en "haben"

Het onderscheid tussen 'sein' en 'haben' vormt de basis voor het vervoegen van tijden en het bouwen van eenvoudige zinnen.

Gratis Niet gestart

Werkwoord "werden"

Het werkwoord 'werden' beschrijft een verandering en is nodig voor het vormen van de toekomende tijd en de lijdende vorm.

Gratis Niet gestart

Werkwoorden en voorzetsels

Veel Duitse werkwoorden hebben vaste voorzetsels die bepalen of de vierde of derde naamval volgt.

Gratis Niet gestart

Werkwoord "lassen"

Het werkwoord 'lassen' is veelzijdig en kan zowel laten, toestaan als overlaten betekenen.

Gratis Niet gestart

Andere oefencategorieën

Bij het bepalen van tijd of actie spelen Duitse werkwoorden zoals “sein”, “haben”, “werden” en “lassen” een belangrijke rol. De vervoeging van die werkwoorden plaatst de actie in de tijd en maakt met slechts één vervoeging duidelijk of iemand, bijvoorbeeld, iets moet doen of zou moeten doen. In dat opzicht is de Duitse taal eenvoudiger en compacter dan de Nederlandse, vooropgesteld dat degene die spreekt zich ook adequaat weet uit te drukken.

Om dat te kunnen, moet veel geoefend worden met het vervoegen en toepassen van de genoemde werkwoorden, en daar vindt u hier mogelijkheden te over voor. Belangrijk is ook te weten dat een aantal Duitse werkwoorden standaard gecombineerd wordt met het gebruik van de 3de- of de 4de naamval. Daarnaast worden de werkwoorden “hebben/haben” en “zijn/sein”, ten opzichte van het gebruik in de Nederlandse taal, vaak verwisseld.

Wie de gebiedende wijs in het Duits gebruikt, past de vervoeging van het werkwoord aan op degene of degenen tot wie hij zich richt: dat betekent de enkelvoudsvorm wanneer sprake is van één persoon, de 3de persoon enkelvoud wanneer de beleefheidsvorm gebruikt wordt en de meervoudsvorm bij een groep.