Onregelmatige werkwoorden

Oefening van de meest gebruikte onregelmatige werkwoorden. Dit zijn werkwoorden die uitzonderingen in hun vervoegingen hebben en lastig te groeperen zijn. Deze uitzonderingen zijn soms niet logisch en dienen dan ook gewoon uit het hoofd geleerd te worden. In deze oefening hebben de zinnen lege spaties en dienen gevuld te worden met de juiste vervoeging van het werkwoord. Hierbij dient gelet te worden op de vorm (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig). Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden zijn: haben, sein, dürfen, sollen en werden.

1.) Du Amerikaner? Nein, ich Engländer. (sein / sein)
2.) Er einen guten Film und dabei Popcorn. (sehen / essen)
3.) Wann du 18? Ich nächstes Jahr 18. (werden / werden)
4.) du Zeit? du mir bitte helfen? (haben / können)
5.) Er lernen. Morgen er einen Test schreiben. (müssen / werden)
6.) du gerne Bücher oder du lieber Filme? (lesen / sehen)
7.) Er ihr ein Geschenk und sie es. (geben / nehmen)
8.) du auch nach Berlin? du mit dem Auto? (müssen / fahren)
9.) Er immer mit dem Fahrrad, sie lieber. (fahren / laufen)
10.) Unser Kind nächstes Jahr heiraten. (werden)
11.) du den Mann dort? du, wie er heißt? (sehen / wissen)
12.) Ich , wie der höchste Berg Europas heißt. ihr es auch? (wissen / wissen)
13.) Ich Pferde. du sie auch? (mögen / mögen)
14.) du mich bitte durch? Ich pünktlich sein. (lassen / müssen)
15.) Ich nicht mit dem Auto fahren. Wer einen Führerschein? (können / haben)
16.) du mit dem Auto zur Arbeit? Nein, ich heute. (fahren / laufen)
Controleer antwoorden >>

Alle oefeningen van "Vervoeging"

Wie we zijn? Voorwaarden Privacy