Teksten Oefeningen Woordenschat Vervoeging
Home / Grammatica oefeningen / Voornaamwoorden

Voornaamwoorden

Persoonlijke, bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden.

1
Persoonlijke voornaamwoorden
13 vragenGratisNiet gestart
2
Persoonlijke voornaamwoorden 2
20 vragenPremiumNiet gestart
3
Persoonlijke voornaamwoorden 3
20 vragenPremiumNiet gestart
4
Persoonlijke voornaamwoorden 4
20 vragenPremiumNiet gestart
5
Persoonlijke voornaamwoorden 5
20 vragenPremiumNiet gestart
6
Persoonlijke voornaamwoorden 6
20 vragenPremiumNiet gestart
7
Persoonlijke voornaamwoorden 7
20 vragenPremiumNiet gestart
8
Persoonlijke voornaamwoorden 8
20 vragenPremiumNiet gestart

Wederkerende voornaamwoorden

Wederkerende voornaamwoorden worden gebruikt wanneer het onderwerp en het voorwerp hetzelfde zijn, zoals 'ik was me'.

Gratis Niet gestart

Vragende voornaamwoorden

Vragende voornaamwoorden zoals 'wer' en 'was' worden gebruikt om vragen te stellen, waarbij 'wer' van vorm verandert per naamval.

Gratis Niet gestart

Betrekkelijke voornaamwoorden

Betrekkelijke voornaamwoorden leiden een bijzin in en komen in geslacht en getal overeen met het kernwoord, maar hun naamval hangt af van hun functie in de bijzin.

Gratis Niet gestart

Onbepaalde voornaamwoorden

Onbepaalde voornaamwoorden verwijzen naar niet-gespecificeerde personen of zaken, zoals 'jemand' (iemand) of 'alle' (allemaal), en worden vaak verbogen.

Gratis Niet gestart

Aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden zoals 'dieser' en 'jener' worden gebruikt om specifieke personen of zaken aan te duiden en volgen het geslacht en de naamval.

Gratis Niet gestart

Bezittelijke voornaamwoorden

Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit aan; de stam verwijst naar de bezitter en de uitgang past bij het bezeten voorwerp.

Gratis Niet gestart

Andere oefencategorieën

Voornaamwoorden kennen vele varianten. Het betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een zelfstandig naamwoord in de zin. Volstaat in de Nederlandse taal “die” of “dat”, “van wie” of “waarvan”: in de Duitse taal wordt het betrekkelijk voornaamnaamwoord vervoegd. Zowel het geslacht van het aangeduide zelfstandig naamwoord, als de naamval waarin de verwijzing gebruikt wordt, zijn hierin bepalend. Naast deze betrekkelijk voornaamwoorden, worden ook de persoonlijk voornaamwoorden, zoals “ik”, “jij” en “wij”, vervoegd. Ook in dit geval, afhankelijk van de naamval waarin ze gebruikt worden, en met meer varianten dan in de Nederlandse taal.

Een ander voornaamwoord, het wederkerende, wordt in de Duitse taal aanmerkelijk veelvuldiger gebruikt dan bij ons. Je zou kunnen zeggen, dat de Duitser zich in bijna iedere actie als meewerkend of lijdend voorwerp benoemt. Het wederkerend voornaamwoord, komt in de Duitse taal daarom niet alleen in de 4de naamval voor, maar wordt ook veelvuldig in de 3de naamval gebruikt.

Ook vragende naamwoorden tenslotte, worden in het Duits vervoegd naar de naamval en het geslacht, wanneer zij een persoon of voorwerp aanduiden. Iets simpels als voornaamwoorden geeft voor iemand, die de Duitse taal wil leren, dus een overdaad aan regels. Ook hier geldt dat alleen door veel oefenen, het toepassen daarvan een vanzelfsprekendheid wordt.