Teksten Oefeningen Woordenschat Vervoeging

Voltooid tegenwoordige tijd (Perfekt)

De voltooid tegenwoordige tijd (Perfekt) gebuik je in het Duits om een activiteit in het verleden aan te duiden. In tegenstelling tot het Präterium geeft de Perfekt een activiteit in het verleden aan die afgerond is. Bijvoorbeeld: “Ik heb gelopen” Dat wordt in het Duits: “Ich habe gelaufen”.

De Perfekt is gemakkelijk te maken: vorm van sein of haben + voltooid deelwoord: Ik heb gezien = Ich habe gesehen.

Wel is het soms lastig om te bepalen of je “sein” of “haben” moet gebruiken. Het is namelijk niet altijd zo dat je “sein” gebruikt op de plek waar je in het Nederlands “zijn” zou gebruiken, en als je in het Nederlands voor “hebben” kiest, is dat niet automatisch “haben” in het Duits. Een voorbeeld is “Zij is afgevallen”. Je zou in het Duits “Sie ist abgenommen” verwachten, maar de juiste vertaling is “Sie hat abenommen”.

0%
Voortgang 0 van 16 oefeningen gestart
1
Voltooid tegenwoordige tijd 25 vragen
2
Werkwoordvervoeging 20 vragen Premium
3
Werkwoordvervoeging 2 20 vragen Premium
4
Werkwoordvervoeging 3 20 vragen Premium
5
Werkwoordvervoeging 4 20 vragen Premium
6
Sein of haben 20 vragen Premium
7
Sein of haben 2 20 vragen Premium
8
Vorming van de tijd 20 vragen Premium
9
Vorming van de tijd 2 20 vragen Premium
10
Vorming van de tijd 3 20 vragen Premium
11
Vorming van de tijd 4 20 vragen Premium
12
Vorming van de tijd 5 20 vragen Premium
13
Vorming van de tijd 6 20 vragen Premium
14
Vorming van de tijd 7 20 vragen Premium
15
Vorming van de tijd 8 20 vragen Premium
16
Vorming van de tijd 9 20 vragen Premium

Oefening 1: Voltooid tegenwoordige tijd

PDF downloaden
Speciale tekens: Tip: Gebruik Tab om te navigeren
1
Letzte Woche ich Tennis .(spielen)
2
Gestern wir zur Schule .(gehen)
3
Wir immer die besten Freunde .(sein)
4
Letztes Jahr ich nicht in den Urlaub .(fahren)
5
Mein Vater war da. Er aber nicht lange .(bleiben)
6
Du die ganze Pizza ?(essen)
7
Ihr es .(wissen)
8
Gestern hatte mein Bruder fast einen Unfall. Er Glück .(haben)
9
Ich diese Aufgabe nicht .(können)
10
Wir das nicht .(müssen)
11
Ihr unseren Lehrer nicht .(mögen)
12
Ich alle Bücher von Shakespeare .(lesen)
13
Goethe Faust .(schreiben)
14
Ich zur Schule gehen .(sollen)
15
Keiner meiner Lehrer Müller .(heißen)
16
Das ich Ihnen doch .(sagen)
17
Wir den neuen Film noch nicht .(sehen)
18
Er ein Buch .(schreiben)
19
Meine Mutter mir den Schlüssel .(geben)
20
Meine Eltern spät nach Hause .(kommen)
21
Meine Eltern mich spielen .(lassen)
22
Wer meine Tasche ?(finden)
23
Ihr das Geld und nie zurückgegeben.(nehmen)
24
Mein Vater dich nach Hause .(bringen)
25
Ich heute sehr lange .(schlafen)